Specialisatie:

Amblyopie, beter bekend als een lui oog, is een slecht gezichtsvermogen van één oog, omdat de ontwikkeling ervan in de vroege kinderjaren is onderdrukt. Bij een lui oog heeft de verbinding met de hersenen zich nooit goed kunnen ontwikkelen. Dit komt omdat op jonge leeftijd vanuit het luie oog systematisch minder goede beelden worden doorgestuurd naar de hersenen, waardoor de hersenen het andere oog verkiezen en het “slechte” oog onderdrukken. Wanneer deze situatie aanhoudt tot het zevende levensjaar, dan blijft het gezichtsvermogen aan het aangedane oog definitief minder (ook mét een eventuele bril) en spreekt men van een lui oog. Geschat wordt dat drie procent van de kinderen jonger dan zes jaar één of andere vorm van amblyopie hebben. Meestal is er slechts één van de twee ogen lui, doch een ‘lui oog’ kan dubbelzijdig voorkomen.

Wat zijn de oorzaken?

De meest voorkomende oorzaak van amblyopie is refractief: als het beeld van één van beide ogen beduidend minder scherp is dan het andere. Het ene oog heeft dus een andere sterkte (dioptrie) dan het andere. Dit onscherpe beeld kan in de hersenen niet samengevoegd worden met het scherpe beeld van het andere oog, waardoor het minder goede oog wordt onderdrukt.

Een andere oorzaak van een lui oog is scheelzien (strabisme). Beide ogen kijken hierbij een andere kant op. Ze vangen twee verschillende beelden op, die niet samen te voegen zijn. In dat geval wordt het beeld van het opzij kijkende oog onderdrukt. Zonder behandeling wordt dat een lui oog.

Hoe wordt een lui oog vastgesteld?

Aangezien amblyopie meestal enkelzijdig optreedt, zijn veel ouders en kinderen zich niet bewust dat één oog minder goed ziet. De globale gezichtsscherpte met de twee ogen samen is dan ruimschoots voldoende. Het verminderde zicht wordt meestal opgemerkt tijdens een routineonderzoek (Kind en Gezin of CLB) of de ouders constateren scheelzien, waarvoor ze op consultatie komen bij de oogarts.

Op het consultatiebureau van Kind en Gezin wordt bij alle kinderen voor het tweede levensjaar een test afgenomen om te bepalen of er sprake is van (een neiging tot) scheelzien. Tegelijk wordt gecontroleerd of er een sterkteafwijking is aan één of beide ogen. Vanaf drie jaar kan de gezichtsscherpte van het kind gemeten worden met een plaatjestest. Er wordt dan bekeken of het kind van een bepaalde afstand plaatjes herkent. Bij geconstateerde afwijkingen volgt verwijzing naar een oogarts, die de oorzaak opspoort. Er worden verschillende onderzoeken gedaan om de juiste oorzaak van amblyopie te kunnen vaststellen.                                                           .

Hoe wordt een lui oog behandeld?

Het is van belang om zo vroeg mogelijk de behandeling aan te vangen, want na een bepaalde leeftijd is de gezichtsscherpte niet meer te verbeteren. Hoe jonger het kind bij aanvang van de behandeling, hoe beter de prognose.

De behandeling van een lui oog kan bestaan uit:

  • Correctie van de brilsterkte-afwijking. Kinderen met een brilsterkte-afwijking krijgen een bril voorgeschreven.
  • Occlusie (afplakken). Het luie oog wordt gestimuleerd door het goede oog iedere dag enige tijd af te plakken.
  • Bij scheelzien heeft de behandeling met afplakken als doel het zicht van het wegdraaiend oog te verbeteren. Het scheelzien zelf zal door het afplakken niet verbeteren. Gezien het gezichtsvermogen slechts tot de leeftijd van ongeveer 7 jaar kan beteren, heeft dit steeds voorrang op de oogstand, wat later behandeld kan worden.